In Duitsland is er in principe een wettelijke garantieperiode van twee jaar. Dit betekent dat kopers bij de aankoop van goederen gedurende een periode van 24 maanden na overdracht van het product bepaalde rechten kunnen uitoefenen als blijkt dat het product gebreken vertoont of niet aan de afgesproken eigenschappen voldoet. Deze wettelijke regeling is bedoeld ter bescherming van de consument en zorgt ervoor dat zij gedurende een redelijke tijd na aankoop beschermd zijn tegen defecte producten.
Tijdens de eerste twaalf maanden van deze tweejarige periode ligt de zogenaamde bewijslast bij de verkoper. Dit betekent dat als er binnen het eerste jaar na aankoop een gebrek aan het product optreedt, ervan wordt uitgegaan dat dit gebrek al bij de overdracht aanwezig was. De verkoper moet in dit geval aantonen dat het gebrek niet al bij de overdracht bestond, als hij de garantie wil weigeren. Na afloop van de eerste twaalf maanden, dus in het tweede jaar van de garantieperiode, draait de bewijslast om: nu is de koper verplicht te bewijzen dat het vastgestelde gebrek al bij de overdracht van het product aanwezig was.
Naast de wettelijke garantie bieden veel fabrikanten een eigen garantie aan, die afzonderlijk of als verlengde garantie kan worden vormgegeven. Deze fabrieksgarantie kan verder gaan dan de wettelijke aanspraken en de koper extra rechten geven, bijvoorbeeld een langere looptijd of een uitgebreidere dekking. Wanneer een fabrikant zo’n garantie aanbiedt, is deze uiteraard ook van toepassing en kan door de koper worden benut, onafhankelijk van de wettelijke garantie.